top of page
Zoeken

Zwart-op-Wit. Of roze…

  • Foto van schrijver: Marieke Duinkerken
    Marieke Duinkerken
  • 21 apr
  • 3 minuten om te lezen

Ik heb mijn accreditatie WV LS-Distributie voor Enexis Productiestraten gehaald.


Voor mensen buiten dit vak klinkt dat misschien als administratie. Een vinkje, een handtekening en door. Maar wie dit werk kent, weet dat het zo niet werkt. Die weet wat eraan voorafgaat, wat je moet kennen, wat je moet kunnen en hoeveel verantwoordelijkheid erbij hoort als je werk doet waarbij het niet alleen technisch moet kloppen, maar ook gewoon veilig moet zijn. Dus nee, dit is niet zomaar een papiertje.


Het is bevestiging van wat er al stond: dat ik mijn vak ken, verantwoordelijkheid kan dragen en dit werk niet voor de vorm doe, maar gewoon serieus neem en beheers. Daar ben ik trots op. Niet op een borstklopperige manier, maar wel omdat het goed is als inzet, kennis en volhouden uiteindelijk ook ergens toe leiden. Het is prettig als iets waar je hard voor gewerkt hebt een keer niet alleen gevoeld wordt, maar ook gewoon vastligt. Tegelijkertijd weet iedereen die iets langer meeloopt dat zo’n stap niet automatisch betekent dat alles daarna ineens helder is. Een accreditatie is duidelijk: die heb je of die heb je niet. Alles daaromheen is vaak een stuk vager. Rollen, functies en perspectief willen in de praktijk nog weleens waziger zijn dan wat er formeel geregeld is.


Dat verandert alleen niets aan de kern. In techniek gaat het uiteindelijk niet om mooie woorden of handige constructies op papier, maar om de vraag of je weet wat je doet, of je verantwoordelijkheid durft te nemen en of mensen op je kunnen bouwen als het erop aankomt. Misschien is dat ook precies waarom ik me soms zo kan verbazen over hoe er nog steeds naar vrouwen in de techniek wordt gekeken. Alsof we er vooral zijn voor het plaatje, voor de diversiteitsposter, voor de LinkedIn-post op internationale vrouwendag of voor de “kijk ons eens modern zijn”-show. Zolang het maar niet te veel schuurt met hoe het altijd al gaat. Alsof vrouwen in de techniek een soort sociale werkvoorziening zijn voor bedrijven die graag inclusief willen lijken. Dat is gechargeerd, maar ook weer niet zó gechargeerd dat het nergens op slaat. Want laten we eerlijk zijn: als een sector structureel mensen tekortkomt, overal roept dat er meer technici moeten komen en vervolgens nog steeds niet helemaal weet hoe ze serieus moet omgaan met vrouwen die het vak gewoon beheersen of graag willen leren, dan heb je niet alleen een personeelstekort. Dan heb je ook een cultuurprobleem.


Vrouwen in de techniek zijn geen leuk bijproject, geen sympathieke aanvulling en geen frisse noot tussen de grijze truien. Ze zijn gewoon nodig. Keihard nodig. Niet om aardig gevonden te worden, maar om het werk gedaan te krijgen. En daar wringt het vaak precies. Iedereen roept dat vrouwen welkom zijn, totdat ze niet alleen binnenkomen, maar ook hun mond opentrekken. Totdat ze niet voor spek en bonen meekijken, maar gewoon hun vak verstaan, verantwoordelijkheid opeisen, inhoudelijk stevig staan en niet alleen “vrouw in de techniek” zijn, maar vooral de professional. Dan wordt het ineens minder een campagne voor diversiteit en meer een test voor de organisatie zelf.


Ik heb mijn accreditatie gehaald, niet omdat iemand mij zo vriendelijk een kans gunde, maar gewoon omdat ik aan de eisen voldoe, mijn vak ken en verantwoordelijkheid neem. Zo ingewikkeld is het eigenlijk niet. Toch is het in de praktijk soms verbazingwekkend lastig om ook gewoon op diezelfde manier bekeken te worden. Niet als uitzondering, niet als “vrouw die het verrassend goed doet” en ook niet als iemand die eerst nog even drie rondjes extra moet lopen voordat ze serieus genomen wordt. Maar gewoon als vakmens. Dat zou normaal moeten zijn.


Maar normaal en gebruikelijk zijn niet altijd hetzelfde, zeker niet in sectoren waar men graag zegt dat het om kwaliteit draait, terwijl er intussen nog best wat oude gewoontes rondwaren. Daar zit voor mij ook de crux. Ik hoef geen applaus omdat ik vrouw ben in een technisch vak. Ik hoef ook niet met fluwelen handschoenen benaderd te worden alsof ik elk moment emotioneel kan instorten. Ik wil gewoon beoordeeld worden op wat ik kan, wat ik weet en hoe ik mijn verantwoordelijkheid draag. Niet meer en niet minder.


Juist daarom betekent deze accreditatie voor mij meer dan alleen een formele stap. Niet omdat het me ineens verandert in iets wat ik gisteren nog niet was, maar omdat het een punt zet achter discussie over de basis. Die basis staat. De kennis staat. De ervaring staat. De verantwoordelijkheid ook. En misschien is dat wel het meest ironische van alles: in een sector die schreeuwt om goede mensen, zouden vrouwen die hun vak beheersen eigenlijk met open armen ontvangen moeten worden. In de praktijk krijg je soms eerder het gevoel dat je eerst nog even moet bewijzen dat je geen symbolisch project bent.


Jammer dan.


Ik ben niet gekomen om een poster op te leuken, maar om mijn werk goed te doen.

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page